home edit page issue tracker

This page pertains to UD version 2.
</table>

UD_Dutch

UD_Dutch-LassySmall

Tokenization and Word Segmentation

Tokenization and Word Segmentation

  • This corpus contains 13583 sentences and 208633 tokens.
  • This corpus contains 7641 sentences and 101873 tokens.
  • This corpus contains 21728 tokens (10%) that are not followed by a space.
  • This corpus contains 14218 tokens (14%) that are not followed by a space.
  • This corpus does not contain words with spaces.
  • This corpus does not contain words with spaces.
  • This corpus contains 1464 types of words that contain both letters and punctuation. Examples: J., mr., dr., zo'n, 't, H., a., 's, C., W., M., drs., B., prof., G., p., pct., d., R., 'n, F., L., o.a., K., Zuid-Afrika, T., z'n, v., S., auto's, jl., n.v., E., ir., Sovjet-Unie, St., West-Duitsland, o.m., Noord-Korea, mln., D'66, a.s., binnen-, m'n, mevr., Mina's, Oost-Berlijn, directeur-generaal, ds., etc.
  • This corpus contains 971 types of words that contain both letters and punctuation. Examples: Sint-Niklaas, CD&V, sp.a, N-VA, Vlaams-Brabant, Henin-Hardenne, o.a., ca., 't, kabinet-Van, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Parijs-Roubaix, Waals-Brabant, zo'n, kabinet-Kok, Oostenrijk-Este, minister-president, mr., nr., v.Chr., B​r​u​s​s​e​l​-​H​a​l​l​e​-​V​i​l​v​o​o​r​d​e, Saksen-Coburg-Gotha, links-liberale, programma's, Nieuw-Vlaamse, Pandy's, V​l​a​a​m​s​-​n​a​t​i​o​n​a​l​i​s​t​i​s​c​h​e, vice-premier, 's, kabinet-Balkenende, kabinet-Den, Evangelist/Apostel, F.C., I-City, Jean-Marie, Noord-Brabant, Vandersteen's, Vlaams-Nationaal, rooms-katholieke, thema's, C​h​r​i​s​t​e​n​-​D​e​m​o​c​r​a​t​i​s​c​h, Jean-Luc, Noord-Frankrijk, Sint-Katelijne-Waver, WTA-toernooi, a., auto's, b., e.

Morphology

Tags

Morphology

Tags

  • This corpus contains 79 lemmas tagged as pronouns (PRON): al, allebei, alles, beide, da, dat, datgene, degene, deze, die, diegene, dien, dit, een, elk, elkaar, enig, enkele, ge, geen, gij, ginds, haar, haarzelf, hare, hem, hemzelf, hen, het, hetgeen, hetgene, hij, hijzelf, hun, ieder, iedereen, iemand, iets, ik, je, jezelf, jij, jou, jullie, m'n, me, meerdere, men, mezelf, mij, mijn, minder, mindere, minst, niemand, niets, niks, ons, onszelf, sommig, teveel, u, uw, veel, wat, we, weinig, welk, wie, wij, ze, zich, zichzelf, zij, zijn, zijzelf, zo'n, zoiets, zulk
  • This corpus contains 58 lemmas tagged as pronouns (PRON): al, alles, beide, dat, degene, deze, die, dit, elk, elkaar, enig, enkel, geen, haar, hem, hemzelf, hen, het, hetgeen, hetwelk, hij, hun, ieder, iedereen, iemand, iets, ik, je, jij, me, meer, meerdere, mekaar, men, mij, mijn, minder, niemand, niets, ons, sommig, teveel, u, uw, veel, wat, we, weinig, welk, wie, wij, ze, zich, zichzelf, zij, zijn, zijzelf, zo'n
  • This corpus contains 35 lemmas tagged as determiners (DET): 's, al, andermans, beide, dat, de, den, der, des, deze, die, dien, dit, een, elk, elkaar, enig, enkel, enkele, geen, het, ieder, meerdere, menig, minder, niemand, sommig, teveel, veel, wat, weinig, welk, wie, zo'n, zulk
  • This corpus contains 25 lemmas tagged as determiners (DET): al, beide, dat, de, der, deze, die, dit, een, elk, enig, enkel, geen, het, ieder, meerdere, menig, sommig, veel, wat, weinig, welk, wie, zo'n, zulk
  • Out of the above, 27 lemmas occurred sometimes as PRON and sometimes as DET: al, beide, dat, deze, die, dien, dit, een, elk, elkaar, enig, enkele, geen, het, ieder, meerdere, minder, niemand, sommig, teveel, veel, wat, weinig, welk, wie, zo'n, zulk
  • Out of the above, 20 lemmas occurred sometimes as PRON and sometimes as DET: al, beide, dat, deze, die, dit, elk, enig, enkel, geen, het, ieder, meerdere, sommig, veel, wat, weinig, welk, wie, zo'n
  • This corpus contains 65 lemmas tagged as auxiliaries (AUX): aandoen, achten, bedoelen, beschouwen, blijken, blijven, brengen, dat_zijn, dienen, doen, fungeren, gaan, gelden, geven, gooien, hangen, hebben, heten, hoeven, houden, kleuren, klinken, komen, kunnen, laten, liggen, lijken, lopen, luiden, maken, moeten, mogen, noemen, ogen, optreden, opvatten, raken, schijnen, slaan, smaken, springen, staan, stellen, stemmen, sukkelen, tellen, tillen, treden, uitvallen, vallen, vastleggen, verklaren, veronderstellen, vinden, vliegen, voelen, werken, wezen, wijzen, willen, worden, zien, zijn, zitten, zullen
  • This corpus contains 38 lemmas tagged as auxiliaries (AUX): bekendstaan, beschouwen, blijken, blijven, dienen, doen, fungeren, gaan, gelden, hebben, heten, hoeven, klinken, komen, kunnen, laten, liggen, lijken, mogen, noemen, ogen, optreden, raken, scheren, spreken, staan, stellen, titelen, treden, vallen, wedijveren, werken, willen, worden, zien, zijn, zitten, zullen
  • Out of the above, 61 lemmas occurred sometimes as AUX and sometimes as VERB: aandoen, achten, bedoelen, beschouwen, blijken, blijven, brengen, dienen, doen, gaan, gelden, geven, gooien, hangen, hebben, heten, hoeven, houden, kleuren, klinken, komen, kunnen, laten, liggen, lijken, lopen, luiden, maken, moeten, mogen, noemen, optreden, opvatten, raken, schijnen, slaan, springen, staan, stellen, stemmen, sukkelen, tellen, tillen, treden, uitvallen, vallen, vastleggen, verklaren, veronderstellen, vinden, vliegen, voelen, werken, wezen, wijzen, willen, worden, zien, zijn, zitten, zullen
  • Out of the above, 29 lemmas occurred sometimes as AUX and sometimes as VERB: beschouwen, blijken, blijven, dienen, doen, gaan, gelden, hebben, klinken, komen, kunnen, laten, liggen, lijken, noemen, optreden, raken, spreken, staan, stellen, titelen, treden, vallen, werken, willen, worden, zien, zijn, zitten
  • Fin
    • AUX: is, was, heeft, werd, wordt, zijn, zal, zou, kan, hebben
    • VERB: moet, heeft, komt, is, zei, noemt, hebben, zijn, kwam, ligt
  • Fin
    • AUX: is, werd, was, wordt, zijn, werden, worden, waren, zou, kan
    • VERB: zie, heeft, is, kwam, zijn, komt, telt, wint, was, kreeg
  • Inf
    • AUX: worden, zijn, kunnen, hebben, gaan, willen, laten, blijven, zullen, mogen
    • VERB: komen, moeten, maken, zien, doen, gaan, nemen, zeggen, geven, hebben
  • Inf
    • AUX: worden, zijn, laten, kunnen, hebben, gaan, blijven, stellen, fungeren, gelden
    • VERB: maken, tekenen, geven, houden, zien, bestaan, hebben, nemen, gaan, komen
  • Part
    • AUX: geweest, geworden, gegaan, gebleven, geraakt, gekomen, gebleken, gemaakt, gevonden, liggende
    • VERB: gemaakt, gehouden, genoemd, genomen, gedaan, afgelopen, gegeven, gekomen, gezien, gesteld
  • Part
    • AUX: geworden, geweest, genoemd, zijnde, gebleven, beschouwd, gaande, gegaan, gegane, geheten
    • VERB: genoemd, volgende, opgericht, gemaakt, gebruikt, gelegen, gekozen, verkozen, gevestigd, bestaande

Nominal Features

Nominal Features

  • Gender </td>
  • Gender </td> </tr>
    • Com
      • NOUN: heer, plaats, tijd, minister, flo, stad, man, dag, week, politie
      • PROPN: zaterdag, januari, zondag, JGZ, Robbert, mei, juli, september, vrijdag, april
    • Com
      • NOUN: partij, stad, eeuw, naam, regering, koning, finale, gemeenschap, politie, provincie
      • PROPN: Wiske, Suske, oktober, Ensor, juni, Vandersteen, VLD, Boudewijn, Kuifje, CVP
    • Com,Neut
      • NOUN: soort, boord, keer, paar, subsidie, opium, punt, accordeon, affiche, animo
      • PROPN: Holthaus, WK, Bijlmerbetonmeer, Enkelaar, Enusa, Europe, Gezant, Hoch, Hoornik, Kvp
    • Com,Neut
      • NOUN: keer, soort, mout, Salon, cement, katoen, natuursteen, tin
      • PROPN: Spirit, Giroux, Vivant, Andras, Bouckaert, Brouckère, Dekeyser, Den, Flickr, Marine
    • Neut
      • NOUN: jaar, land, uur, aantal, deel, procent, huis, miljoen, werk, leven
      • PROPN: Nederland, Amsterdam, Groningen, Rotterdam, Europa, Engeland, Aduard, Frankrijk, Utrecht, Ajax
    • Neut
      • NOUN: jaar, gewest, deel, aantal, museum, parlement, werk, begin, land, centrum
      • PROPN: België, Brussel, Vlaanderen, Antwerpen, Hasselt, Nederland, Limburg, Luik, Europa, Gent
    </li>
    </li>
  • Number </td>
  • Number </td> </tr>
    • Plur
      • AUX-Fin: zijn, hebben, worden, zullen, waren, werden, kunnen, zouden, hadden, willen
      • NOUN: mensen, kinderen, jaren, problemen, zaken, landen, boeken, dagen, vrouwen, weken
      • PROPN: Italianen, Nederlanders, GGD-en, Egyptenaren, Rabo's, Surinamers, Cubanen, Nederlanden, Zuid-Amerikanen, Afrikanen
      • VERB-Fin: hebben, zijn, moeten, komen, gaan, kwamen, hadden, krijgen, moesten, konden
    • Plur
      • AUX-Fin: zijn, werden, worden, waren, hebben, kunnen, hadden, zouden, willen, gaan
      • NOUN: jaren, verkiezingen, gemeenten, partijen, inwoners, leden, links, zetels, verhalen, provincies
      • PROPN: Nederlanden, Belgen, Vlamingen, Fransen, Pruisen, grenslandhallen, Kempen, Ardennen, Duitsers, Middeleeuwen
      • VERB-Fin: zijn, hebben, kwamen, staan, verschenen, vormen, hadden, komen, bestaan, kregen
    • Sing
      • AUX-Fin: is, was, heeft, werd, wordt, zal, zou, kan, heet, had
      • NOUN: jaar, land, heer, plaats, tijd, minister, flo, uur, stad, man
      • PROPN: Nederland, Amsterdam, zaterdag, Groningen, Rotterdam, Europa, Engeland, januari, zondag, JGZ
      • VERB-Fin: moet, heeft, komt, is, zei, noemt, kwam, ligt, staat, gaat
    • Sing
      • AUX-Fin: is, werd, was, wordt, zou, kan, had, heeft, kon, zal
      • NOUN: partij, jaar, stad, gewest, eeuw, naam, regering, koning, finale, deel
      • PROPN: België, Brussel, Vlaanderen, Antwerpen, Hasselt, Wiske, Suske, Nederland, oktober, Ensor
      • VERB-Fin: zie, heeft, is, kwam, komt, telt, wint, was, kreeg, ontstond
    </li>
    </li>
  • Case </td>
  • Case </td> </tr>
    • Acc
      • PRON: zich, hem, me, ons, mij, elkaar, haar, hen, je, zichzelf
    • Acc
      • PRON: zich, hem, elkaar, hen, haar, zichzelf, ons, je, mij, hemzelf
    • Dat
      • PRON: dien, dezen
    • Gen
      • PRON: beider, uwer, zijner
    • Nom
      • PRON: hij, ik, we, men, je, zij, wij, u, jij, ie
    • Nom
      • PRON: hij, zij, men, ik, je, we, wij, u, jij, Zijzelf
    </li>
    </li>
  • Definite </td>
  • Definite </td> </tr>
    • Def
      • DET: de, het, der, 's, 't, den, des, dé
    • Def
      • DET: de, het, der, 's, 't, des, dé
    • Ind
      • DET: een, 'n, en
    • Ind
      • DET: een
    </li>
    </li>

    Degree and Polarity

    Degree and Polarity

  • Degree </td>
  • Degree </td> </tr>
    • Cmp
      • ADJ: verder, beter, later, jongeren, langer, groter, grotere, hoger, vroeger, vroegere
    • Cmp
      • ADJ: later, verder, beter, hogere, vroegere, jongeren, latere, oudere, verdere, vroeger
    • Pos
      • ADJ: nieuwe, grote, andere, Nederlandse, goed, heel, groot, goede, Amerikaanse, eigen
    • Pos
      • ADJ: Vlaamse, belgische, andere, grote, nieuwe, externe, Vlaams, Franse, eigen, federale
    • Sup
      • ADJ: laatste, grootste, beste, belangrijkste, hoogste, best, hoogst, jongste, voornaamste, oudste
    • Sup
      • ADJ: grootste, laatste, belangrijkste, hoogste, oudste, beste, bekendste, voornaamste, best, kleinste
    </li>
    </li>

    Verbal Features

    Verbal Features

  • Tense </td>
  • Tense </td> </tr>
    • Past
      • AUX-Fin: was, werd, zou, had, waren, werden, kon, zouden, hadden, wilde
      • VERB-Fin: zei, kwam, had, was, moest, vond, kreeg, vroeg, won, maakte
    • Past
      • AUX-Fin: werd, was, werden, waren, zou, had, kon, hadden, liet, zouden
      • VERB-Fin: kwam, was, kreeg, ontstond, had, moest, nam, maakte, ging, bleef
    • Pres
      • AUX-Fin: is, heeft, wordt, zijn, zal, kan, hebben, heet, heb, worden
      • VERB-Fin: moet, heeft, komt, is, noemt, hebben, zijn, ligt, staat, gaat
    • Pres
      • AUX-Fin: is, wordt, zijn, worden, kan, heeft, hebben, zal, kunnen, staat
      • VERB-Fin: zie, heeft, is, zijn, komt, telt, wint, hebben, bestaat, staat
    </li>
    </li>

    Pronouns, Determiners, Quantifiers

    Pronouns, Determiners, Quantifiers

  • PronType </td>
  • PronType </td> </tr>
    • Dem
      • PRON: dat, dit, die, deze, zo'n, degenen, datgene, degene, zulke, dien
    • Dem
      • PRON: deze, dit, dat, die, zo'n, degenen, degene
    • Ind
      • PRON: meer, veel, minder, weinig, iets, vele, niets, wat, meest, alles
    • Ind
      • PRON: meer, vele, veel, meeste, minder, meest, enige, beide, alle, alles
    • Int
      • PRON: wat, wie, welke, welk
    • Int
      • PRON: wat, wie, welke
    • Prs
      • PRON: hij, ik, het, zijn, zich, ze, we, je, men, hun
    • Prs
      • PRON: hij, zijn, ze, het, zich, haar, hun, zij, men, hem
    • Rcp
      • PRON: elkaar
    • Rcp
      • PRON: elkaar, mekaar
    • Rel
      • PRON: die, dat, hetgeen, hetgene
    • Rel
      • PRON: die, dat, hetgeen, hetwelk
    </li>
    </li>
  • Reflex </td>
  • Reflex </td> </tr>
    • Yes
      • PRON: zich, zichzelf
    • Yes
      • PRON: zich, zichzelf
    </li>
    </li>
  • Person </td>
  • Person </td> </tr>
    • 1
      • PRON: ik, we, ons, wij, me, mijn, mij, onze, mezelf, m'n
    • 1
      • PRON: ik, we, mijn, ons, onze, wij, mij, me
    • 2
      • PRON: je, u, jullie, jij, jou, uw, gij, jouw, ge, jezelf
    • 2
      • PRON: je, u, uw, jij
    • 3
      • PRON: hij, het, dat, zijn, wat, zich, ze, wie, men, hun
    • 3
      • PRON: hij, zijn, ze, het, zich, haar, dat, hun, dit, zij
    </li>
    </li>

    Other Features

    Other Features

  • Abbr
    • Yes
      • X: o.a., jl., o.m., Ad, a.s., etc., v.j., enz., b.v., e.d.
  • Abbr
    • Yes
      • X: Bel, sp.a, o.a., ca., VVKSM, nr., lib, COCOF, OSF, VGC
  • Foreign
    • Yes
      • X: fancy, a, the, and, front, to, National, be, fiction, flo
  • Foreign
    • Yes
      • X: les, de, Vive, grand, art, la, le, the, cordon, des
  • Syntax

    Auxiliary Verbs and Copula

    • This corpus uses 62 lemmas as copulas (cop). Examples: zijn, worden, heten, blijven, lijken, gaan, komen, vinden, staan, maken, blijken, raken, liggen, zien, zitten, kunnen, vallen, treden, werken, achten, gelden, klinken, moeten, dienen, doen, fungeren, optreden, stemmen, hebben, houden, luiden, laten, voelen, beschouwen, geven, hangen, noemen, ogen, smaken, wezen, aandoen, bedoelen, brengen, dat_zijn, gooien, kleuren, lopen, opvatten, schijnen, slaan.

    Syntax

    Auxiliary Verbs and Copula

    • This corpus uses 32 lemmas as copulas (cop). Examples: zijn, worden, blijven, staan, heten, gaan, komen, noemen, raken, blijken, vallen, fungeren, liggen, doen, gelden, bekendstaan, klinken, ogen, stellen, treden, zien, zitten, beschouwen, dienen, hebben, lijken, optreden, scheren, spreken, titelen, wedijveren, werken.
    • This corpus uses 10 lemmas as auxiliaries (aux). Examples: hebben, zullen, zijn, kunnen, willen, gaan, mogen, laten, blijken, hoeven.
    • This corpus uses 2 lemmas as passive auxiliaries (aux:pass). Examples: worden, zijn.
    • This corpus uses 10 lemmas as auxiliaries (aux). Examples: hebben, zijn, kunnen, zullen, laten, willen, gaan, mogen, blijken, hoeven.
    • This corpus uses 2 lemmas as passive auxiliaries (aux:pass). Examples: worden, zijn.

    Core Arguments, Oblique Arguments and Adjuncts

    Here we consider only relations between verbs (parent) and nouns or pronouns (child).
    • nsubj
      • VERB-Fin--NOUN (3473)
      • VERB-Fin--NOUN-ADP(op) (1)
      • VERB-Fin--PRON (1668)
      • VERB-Fin--PRON-Acc (1)
      • VERB-Fin--PRON-Nom (2492)
      • VERB-Inf--NOUN (597)
      • VERB-Inf--PRON (318)
      • VERB-Inf--PRON-Acc (2)
      • VERB-Inf--PRON-Nom (593)
      • VERB-Part--NOUN (911)
      • VERB-Part--PRON (554)
      • VERB-Part--PRON-Acc (1)
      • VERB-Part--PRON-Nom (522)

    Core Arguments, Oblique Arguments and Adjuncts

    Here we consider only relations between verbs (parent) and nouns or pronouns (child).
    • nsubj
      • VERB-Fin--NOUN (1375)
      • VERB-Fin--PRON (635)
      • VERB-Fin--PRON-Nom (410)
      • VERB-Inf--NOUN (94)
      • VERB-Inf--PRON (62)
      • VERB-Inf--PRON-Nom (58)
      • VERB-Part--NOUN (118)
      • VERB-Part--PRON (136)
      • VERB-Part--PRON-Nom (34)
    • obj
      • VERB-Fin--NOUN (2771)
      • VERB-Fin--NOUN-ADP(voor) (1)
      • VERB-Fin--PRON (516)
      • VERB-Fin--PRON-Acc (447)
      • VERB-Fin--PRON-Acc-ADP(achter) (1)
      • VERB-Fin--PRON-Acc-ADP(bij) (1)
      • VERB-Fin--PRON-Acc-ADP(met) (7)
      • VERB-Fin--PRON-Acc-ADP(tot) (1)
      • VERB-Fin--PRON-Acc-ADP(van) (1)
      • VERB-Fin--PRON-Acc-ADP(voor) (2)
      • VERB-Fin--PRON-Nom (4)
      • VERB-Inf--NOUN (1459)
      • VERB-Inf--NOUN-ADP(voor) (1)
      • VERB-Inf--PRON (269)
      • VERB-Inf--PRON-Acc (187)
      • VERB-Inf--PRON-Acc-ADP(bij) (1)
      • VERB-Inf--PRON-Acc-ADP(op) (1)
      • VERB-Inf--PRON-Nom (1)
      • VERB-Part--NOUN (804)
      • VERB-Part--PRON (183)
      • VERB-Part--PRON-Acc (114)
      • VERB-Part--PRON-Acc-ADP(achter) (1)
      • VERB-Part--PRON-Acc-ADP(om)-ADP(heen) (1)
      • VERB-Part--PRON-Acc-ADP(voor) (1)
      • VERB-Part--PRON-Nom (2)
      • VERB-Part--PRON-Nom-ADP(tot) (1)
    • obj
      • VERB-Fin--NOUN (1240)
      • VERB-Fin--NOUN-ADP(boven) (1)
      • VERB-Fin--NOUN-ADP(in) (1)
      • VERB-Fin--NOUN-ADP(waaronder) (1)
      • VERB-Fin--PRON (88)
      • VERB-Fin--PRON-Acc (171)
      • VERB-Fin--PRON-Acc-ADP(bij) (1)
      • VERB-Fin--PRON-Acc-ADP(op) (2)
      • VERB-Inf--NOUN (386)
      • VERB-Inf--PRON (29)
      • VERB-Inf--PRON-Acc (66)
      • VERB-Inf--PRON-Nom (1)
      • VERB-Part--NOUN (135)
      • VERB-Part--NOUN-ADP(van) (1)
      • VERB-Part--PRON (12)
      • VERB-Part--PRON-Acc (16)
    • iobj
      • VERB-Fin--NOUN (61)
      • VERB-Fin--NOUN-ADP(aan) (1)
      • VERB-Fin--PRON (3)
      • VERB-Fin--PRON-ADP(aan) (1)
      • VERB-Fin--PRON-Acc (120)
      • VERB-Fin--PRON-Nom (5)
      • VERB-Inf--NOUN (45)
      • VERB-Inf--NOUN-ADP(aan) (1)
      • VERB-Inf--PRON (5)
      • VERB-Inf--PRON-ADP(aan) (1)
      • VERB-Inf--PRON-Acc (40)
      • VERB-Inf--PRON-Nom (4)
      • VERB-Part--NOUN (48)
      • VERB-Part--NOUN-ADP(aan) (2)
      • VERB-Part--PRON (3)
      • VERB-Part--PRON-ADP(aan) (2)
      • VERB-Part--PRON-Acc (55)
      • VERB-Part--PRON-Nom (5)
    • iobj
      • VERB-Fin--NOUN (13)
      • VERB-Fin--PRON (4)
      • VERB-Fin--PRON-Acc (12)
      • VERB-Inf--NOUN (9)
      • VERB-Inf--PRON-Acc (4)
      • VERB-Part--NOUN (4)
      • VERB-Part--NOUN-ADP(aan) (1)
      • VERB-Part--PRON-Acc (5)

    Verbs with Reflexive Core Objects

    • This corpus contains 213 lemmas that occur at least once with a reflexive core object (obj or iobj). Examples: bevinden zich, maken zich, houden zich, laten zich, voelen zich, bewust zich, stellen zich, tonen zich, melden zich, plaatsen zich, voordoen zich, ontwikkelen zich, vraag zich, richten zich, bewegen zich, bezighouden zich, doen zich, afvragen zich, begeven zich, beraden zich, brengen zich, concentreren zich, opstellen zich, sluiten zich, vergissen zich, aanmelden zich, gedragen zich, handhaven zich, herstellen zich, spelen zich, strekken zich, uitspreken zich, voltrekken zich, wagen zich, wreken zich, beperken zich, breiden zich, buigen zich, mengen zich, nemen zich, permitteren zich, schamen zich, spreken zich, toeleggen zich, verklaren zich, verzetten zich, achten zich, afscheiden zich, afspelen zich, bemoeien zich
      • Out of those, 13 lemmas occurred more than once, but never without a reflexive dependent. Examples: voordoen, beraden, aanmelden, gedragen, wreken, permitteren, bemoeien, manifesteren, omvormen, onttrekken, terugvechten, wenden, wringen

    Verbs with Reflexive Core Objects

    • This corpus contains 104 lemmas that occur at least once with a reflexive core object (obj or iobj). Examples: bevinden zich, vestigen zich, trekken zich, richten zich, sluiten zich, voelen zich, bezighouden zich, herstellen zich, bekeren zich, houden zich, kenmerken zich, noemen zich, noemen zichzelf, opmerken zich, organiseren zich, positioneren zich, profileren zich, scharen zich, verklaren zich, afspelen zich, begeven zich, doen zich, engageren zich, geven zich, herpakken zich, inschrijven zich, maken zich, manifesteren zich, nemen zich, onthouden zich, ontpoppen zich, schamen zich, spelen zich, splitsen zich, terugtrekken zich, toeleggen zich, tonen zich, verplaatsen zich, vertalen zich, verzetten zich, voltrekken zich, zetten zich, aaneensluiten zich, afscheiden zich, afvragen zich, bemoeien zich, beperken zich, bevrijden zich, bezoedelen zich, binden zich
      • Out of those, 13 lemmas occurred more than once, but never without a reflexive dependent. Examples: bezighouden, bekeren, opmerken, profileren, scharen, afspelen, begeven, herpakken, ontpoppen, schamen, toeleggen, verzetten, voltrekken

    Relations Overview

    Relations Overview